Previous Page  9 / 32 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 9 / 32 Next Page
Page Background

ME R K S T E N E N

Wat motiveert mensen, wat zet ze in beweging? Niet alleen schrijf ik beroepsmatig,

ik mag in mijn vrije tijd eveneens graag schrijven, korte verhalen en liefst

toneelstukken. Elk personage is een onderdeel van het verhaal en bestaat eigenlijk

alleen uit de redenen van zijn of haar handelen.

Omdat je als schrijver weet

waarom iemand iets doet, volgen

karakter en typering van het

personage als vanzelf. Ik weet dan

hoe het personage reageert op

anderen, op de situatie en op

plotwendingen.

Wanneer er met de tekst in de

hand en later zonder boekje wordt

gerepeteerd, zijn de acteurs

afhankelijk van elkaar. Dat gaat

geleidelijk. Stap voor stap oefenen

ze hun stuk in, aan de hand van het

tekstboek en de aanwijzingen van

de regisseur. Iedereen moet van

elkaar weten waar en hoe hij en zij

moet bewegen en waar iedereen

staat. Het is een inoefening totdat

van iedereen vaststaat wie, wat,

waar doet en zegt, na weken van

repeteren.

Elke voorstelling zal het precies zo

gespeeld worden, met steeds

kleine aanpassingen die het spel

beter maken. Improvisatiekunst is

vereist wanneer onverwachte

gebeurtenissen de aandacht vragen

en het spel verstoort wordt. Dan is

het de vakkennis van de spelers en

het blind vertrouwen in de routine

die gezamenlijk is ingeoefend dat

het spel verder brengt, zonder dat

het publiek dat merkt. Dat heeft

niet door dat er zinnen vergeten of

door elkaar zijn gehaald, of dat de

mis en scene

verkeerd liep, dat de

inspeciënt te laat of te vroeg was,

nee, het publiek vond het prachtig.

Missie geslaagd, applaus…!

Tijdens een conferentie op het

Vormingscentrum Beukbergen laat

ik deelnemende rekruten en

cadetten zich afvragen wat ze nodig

hebben om te weten van de ander,

of de ander van hun, om goed te

kunnen functioneren. Oftewel, om

hun taak onder levensbedreigende

omstandigheden uit te kunnen

voeren. Ik vraag geen antwoord,

alleen dat ze erover nadenken. Toch

roept menigeen voor zijn beurt: “Ik

moet weten wat ik aan hem/haar

heb”. Dat is in de kern waar het om

draait en het is ook de kern van de

initiële opleidingen en de mensen

die komen confereren. Het is ook

de kern van de spelers aan het

toneel. De spelers op het toneel

zijn van elkaar afhankelijk en de

voorstelling staat en valt bij de

zwakste schakel. Daarom repeteren

ze net zo lang tot elke beweging en

elke zin op het toneel eruit ziet alsof

dit voordien nog nooit is gedaan of

gezegd. Door inoefening worden

het reflexen en hoeven de spelers

niet meer na te denken. Het werk

gaat als vanzelf.

Dat leren de militairen in opleiding

ook en daarna wordt dat onderhou-

den door te blijven oefenen. Het

vakwerk, de

skills & drills,

moet ze

in staat stellen om hun vak uit te

oefenen, de taak uit te voeren, de

missie te volbrengen en eveneens

te overleven in het hoogste

geweldspectrum. Ze leren te

vertrouwen op hun aangeleerde

reflexen en op die van de ander, de

collega, de wapenbroeder en

-zuster. Niet voor niets wordt ze

geleerd dat ze onderdeel zijn van

een team, dat gezamenlijk ope-

reert. Iedereen is afhankelijk van

een ander, van diens reflexen en

kunde.

De conferenties van de GV op

Beukbergen zijn ingebed in de

initiële opleidingen van alle

krijgsmachtonderdelen. Om elkaar

te leren kennen, interviewen de

militairen in opleiding elkaar. Ze

vertellen over hun dromen bij

Defensie; hoe ze hun toekomst

zien, waarvoor ze het meest

dankbaar zijn; waar ze spijt van

hebben, van die dingen. Vaak

stellen ze zich kwetsbaar op. Ook

stel ik ze de vraag naar wat hen

beweegt, waarom ze hebben

gekozen voor een baan, voor een

leven bij Defensie. Het zijn nobele

motieven. “Om het land te dienen”.

“Om mensen te helpen”. Wanneer

ik vraag naar wat ze het mooist van

de opleiding vinden, belanden we al

gauw bij de echte oefeningen in het

veld en op de schietbaan. Die

worden toch wel het meest

genoemd, dat is het echte werk.

Daarna ontspint zich een gesprek

waarin we de spanning tussen deze

twee uitersten verkennen; mensen

helpen enerzijds en op mensen

schieten anderzijds en het enorme

grijze gebied dat daar tussen ligt en

de verantwoordelijkheid die het

dragen van een wapen met zich

meebrengt.

Deze spanning, in een andere,

meer uitgewerkte vorm, kom ik ook

tegen wanneer ik militairen

ontmoet die zijn teruggekeerd van

missies. Soms is er desillusie over

de verwachting om “het goede te

doen” en het uiteindelijk resultaat

van ieders inspanning. Anderzijds

raakt het militairen wanneer ze niet

kunnen doen waarvoor ze zijn

opgeleid.

In februari van dit jaar verscheen

van de hand van militair historici

Rein Bijkerk en Christ Klep

De

oorlog van nu - Een rationele kijk op

militair geweld in de 21e eeuw.

Christ Klep was te gast op zondag-

morgen 18 februari in OvT en

samen schreven ze in die week een

opiniërend stuk in

De Volkskrant.

Ze

stellen dat militair geweld niet van

nature ‘goed’ is. Ze pleiten voor “…

een militair apparaat dat niet langer

primair fungeert als uitzendkracht

van het ministerie van Buitenlandse

Zaken, opgezadeld met een steeds

bredere waaier aan taken. Maar

een apparaat dat drijft op de

gedachte dat de krijgsmacht

uiteindelijk een apparaat is,

toegespitst op de proportionele

toepassing van geweld. Niet meer

en niet minder”.

Deze gedachten raken aan de

geestelijke, ethische, morele en

sociale aspecten van het militaire

leven. Het raakt militairen, omdat

dit is wat hun ten diepste heeft

bewogen om militair te worden en

om voor dit leven te kiezen. Daar

kunnen we eens samen over

praten.

Thom van der Woude

Aalmoezenier

Waarom doen mensen wat ze doen?

9